Constructieve toepassing van planten in kantoorgebouwen
Auteurs: P. Costa C. Eng. en Prof. R.W. James, South Bank University, Borough Road, Londen SE1
Bron: Internationaal Symposium "Plants for People", 23-11-1995
Samenvatting
Het gebruik van planten heeft de volgende technische voordelen: akoestiek,
waterzuivering, seizoensgebonden beschaduwing, luchtzuivering, bevochtiging en
verdampingskoeling. Dankzij vegetatie is het mogelijk om tegen lage kosten een
facilitaire gebouweninstallatie te maken die slechts verwaarloosbare
hoeveelheden schadelijke stoffen op de omgeving loost. Lang voordat ingenieurs
deze processen gingen nabootsen teneinde het hoofd te bieden aan de "rampzalige
omstandigheden" waarin wij leven, of waarin de meesten van ons ten minste vaak
werken, hebben planten al adiabatisch bevochtigd en gekoeld, water gereinigd,
lucht gefilterd en gezuiverd.
Inleiding
Facilitaire systemen voor gebouwen zijn een ingewikkeld technisch terrein
geworden. De systemen die het gevolg zijn van veel momenteel algemeen aanvaarde
ontwerpbenaderingen zijn vaak moeilijk effectief te onderhouden vanwege de hoge
kosten die dit onderhoud en de exploitatie van dergelijke systemen met zich
meebrengen. Er is daarom een toenemende trend om eenvoudigere systemen te
gebruiken. Voor het groeiend aantal klanten, gebruikers, ingenieurs en
architecten dat deze gedachtegang aanhangt, behoren intensief onderhouden,
airconditioned, afgesloten gebouwen waarin ontevreden personeel is gehuisvest
voorgoed tot het verleden. In onze moderne samenleving blijft het natuurlijk een
vereiste om sommige delen van bepaalde gebouwen intensief te beheren. Het is
onwaarschijnlijk dat de nu gevonden oplossingen op dit moment al de plaats
kunnen innemen van het gangbare technische facility management, maar er zal wel
een beweging op gang komen naar een evenwichtigere benadering. Dit leidt tot
natuurlijk geventileerde gebouwen met ramen die open kunnen, een effectief
gebruik van daglicht en een sterke daling in energieverbruik en
onderhoudskosten. Willen deze oplossingen effectief zijn, dan is het van groot
belang dat de klant, het gehele ontwerpteam en later de aannemer en
onderaannemers zich hiervoor volledig inzetten. Momenteel is er een
grootscheepse verandering aan de gang waarbij de natuurlijkere, biologisch
georiënteerde oplossingen de voorkeur krijgen boven chemisch georiënteerde,
hoogtechnische oplossingen. Misschien wijst dit wel op een zoektocht naar een
"minder technische" technologie dan de "high tech"-oplossingen. Gebruik van
verspreide, lokaal werkende systemen ontlast de overbelaste infrastructuur. Zo
zal het mogelijk zijn kwalitatief hoogwaardige infrastructuurdiensten tot in de
toekomst op te zetten en te onderhouden op een voor de eindgebruiker rendabele
manier. CUE van het Horniman Museum & de crPche Watford New Hope Trust Day
Centre Het Centre for Understanding the Environment (CUE) van het Horniman
Museum, in Forest Hill, Zuidoost-Londen, is een voorbeeld van een visueel
aantrekkelijk gebouw waarin een aantal van deze principes zijn toegepast. De
technische gebouwvoorzieningen en de vegetatie in en rond het gebouw harmoniëren
goed met elkaar. Er zullen geïrrigeerde graszoden op de zwak hellende daken
komen om de belasting door zonnewarmte tot een minimum terug te brengen. Door
toepassing van seizoensgebonden beschaduwing wordt de zonnewarmte in de op het
zuiden liggende conferentiezaal en de glazen verbindingsgang 's zomers gedempt,
terwijl de in de winter nuttige zonnebelasting hierdoor niet wordt verhinderd.
Rietvelden zuiveren het grijze water afkomstig uit wasbakken en houden het
vijverwater schoon. In deze vijver zit regenwater en gezuiverd grijs water dat
wordt hergebruikt om de toiletten door te spoelen, planten te irrigeren en
tijdens de warmste zomermaanden het auditorium te koelen. Een enigszins
bescheidener voorbeeld is de crêche Watford New Hope Trust Day Care Centre. Dit
eenvoudige gebouw in een rustig deel van Noord-Londen wordt ook geïsoleerd met
hergebruikt krantenpapier en wordt uitgerust met passieve kanaalventilatie.
Oververhitting wordt voorkomen door geïrrigeerde graszoden op het dak. Daarnaast
worden bladverliezende klimplanten gebruikt om de op het zuiden liggende
speelkamer zomers tegen de zon te beschermen. Door de geïrrigeerde vegetatie op
de gebouwen kan de grootte van openingen voor effectieve natuurlijke ventilatie
beperkt blijven. Daarnaast wordt er regenwater in een beplante vijver
opgeslagen.
Waterzuivering
Zowel in Europa als in de Verenigde Staten is aan waterzuivering veel aandacht
besteed. In de jaren '40 is in Duitsland pionierswerk verricht op het gebied van
aangelegde moeraslanden. Vanaf dat moment zijn er in de hele wereld heel wat
rietvelden aangelegd. De schaal hiervan varieert van gebieden voor hele steden
en terreinen voor afzonderlijke huizen. De planten zorgen er in een symbiotische
relatie met de bacteriën in de grond voor dat voedings- en chemische stoffen
worden verwijderd uit het water dat tussen de planten doorstroomt. Op deze
manier wordt voorkomen dat deze stoffen stroomgebieden vervuilen of op het
rioleringssysteem worden geloosd. Hoewel de verwerkingscapaciteit van
biologische filters zonder planten hoger ligt, laat de duurzaamheid en de
geringe behoefte aan onderhoud de balans doorslaan ten gunste van rietvelden
(onder deze naam staan deze systemen bekend, omdat de meest toegepaste plant
riet is). Er moet een eenvoudig te gebruiken naslagwerk komen waarin de geheimen
van de moeraslanden worden ontsluierd teneinde ingenieurs in staat te stellen de
juiste afmetingen en capaciteit voor een aangelegd moerasland (rietveld) uit
tabellen, eenvoudige grafieken en vergelijkingen af te leiden. Weliswaar bestaat
er al een ontwerphandleiding voor het aanleggen van rietvelden, maar zonder
nadere uitwerking zal toepassing hiervan in de gebouwde omgeving wel eens niet
zo eenvoudig kunnen blijken. Uit gesprekken met een vooraanstaand specialist op
dit gebied bleken er twee punten te zijn die het gebruik van deze vorm van
waterbehandeling direct in, op of rond gebouwen beperken: het aanzienlijke
ruimtebeslag en het risico dat er slik ontstaat in de tanks doordat er
voedingsstoffen in het gezuiverde, her te gebruiken water achterblijven. Het
ruimteprobleem kan gemakkelijk worden opgelost door decoratieve beplanting
rondom deze technische installatie aan te brengen. De opbouw van slik kan worden
voorkomen door het her te gebruiken water te behandelen met ozon of UV-filters.
Momenteel wordt er onderzoek verricht met het oogmerk de grote hoeveelheid
informatie over dit onderwerp bijeen te brengen in een definitief handboek.
Faciliteiteningenieurs kunnen hiervan dan gebruik maken bij het ontwerpen van
autonome gebouwen. Om de discussie over waterbesparing te stimuleren, wordt een
strategie voor een kantorenblok voorgesteld. Hierbij zou vegetatie worden
gebruikt om het verbruik van leidingwater aanzienlijk te verminderen, mogelijk
zelfs tot uitsluitend drinkwater. Hierbij moeten eerst de voor de hand liggende
punten worden opgepakt, zoals waterbesparende kranen, kleine spoelbakken en
spoelstop. Verder moet worden gekeken naar beheersaspecten zoals tarieven, en
naar onderhoudsaspecten zoals controle op lekkages. Vervolgens kan de strategie
dan worden uitgebreid naar het opvangen van regenwater en hergebruiken van
afvalwater, zelfs tot het recyclen van vuil water. De diverse stadia van
waterbehandeling zouden op zichtbare plaatsen moeten komen, zoals in atria, op
daken, langs muren en rondom het gebouw, om de voor de plantenbedden benodigde
ruimte te beperken. Ook kunnen er waterwerken worden aangelegd en kan er op
verschillende niveaus worden geplant. Dankzij deze strategie zou de vegetatie
kunnen leiden tot vermindering van de uitgaven voor het gebouw door te besparen
op leidingwater, dat momenteel in Engeland rond de ƒ1,50 per kubieke meter kost.
Op deze manier kunnen zowel de psychologische als de esthetische en technische
voordelen van planten worden benut.
Zuivering van vijverwater in
Tooting Bec
In Tooting Bec Common, op een kwartier loopafstand van het metrostation Tooting
Bec in Zuidoost Londen, bevindt zich een praktijkvoorbeeld van een rietveld
waarbij de auteur nauw betrokken is. De vijver midden in dit park, ten oosten
van de tennisbanen, dient als reservoir voor landdrainage. Het park wordt
regelmatig bemest en blijkt jaren geleden ernstig te zijn verontreinigd met olie
en diesel. Verder voorziet het publiek de vijver van aanzienlijke hoeveelheden
oud brood voor de eendjes. Het meeste brood zakt naar de bodem, vergaat daar en
vormt zo voedsel voor algen en onkruid. Het ongeveer twee jaar geleden
aangelegde driefasen-rietveld onttrekt water uit de vijver. Dit water stroomt
door de rietvelden, waar aanwezige fosfaten en nitraten (voedingsstoffen)
verwijderd worden. Hierdoor is er minder voeding in de vijver zelf beschikbaar,
zodat de algengroei afneemt. De effectiviteit van deze rietveldinstallatie is
iets minder groot doordat de plaatselijke autoriteiten niet de benodigde
betrokkenheid tonen. Ondanks het vervuilde water groeit het riet goed. De
installatie geeft een minimale hoeveelheid stank af, en zelfs deze zou
gemakkelijk te beheersen zijn als het in een afgesloten omgeving nodig mocht
zijn.
Waterbesparing door filtering
en recycling
De gebruikte processen kunnen grofweg in twee systemen worden verdeeld:
verticale en horizontale stroombedden. Het principe is grotendeels gelijk aan
andere waterfilterprocessen waarbij microben en bacteriën rondom de
plantenwortels de chemische stoffen afbreken tot voedingsstoffen, die vervolgens
door de planten worden benut om te groeien. Dit is een natuurlijke methode voor
het filteren en zuiveren van water. Eén van de belangrijkste voordelen van dit
soort proces is, naast de geringe milieubelasting, de minimale hoeveelheid
energie die wordt gebruikt. Een ander voordeel van waterbehandeling met behulp
van vegetatie is waterbesparing, in dit geval niet alleen door het terugdringen
van het verbruik maar ook door het door middel van plantenbedden filteren van
water voor hergebruik. Deze vorm van waterbesparing is van essentieel belang
voor airconditioning met behulp van vegetatie, omdat hierbij genoeg water
aanwezig moet zijn om planten van voldoende water voor uitwaseming te voorzien.
De effluentkwaliteit van rietvelden voor tertiaire behandeling (grijs water) is
vergelijkbaar met die van de beste conventionele behandelingsinstallaties in
termen van BOD (biologische zuurstofbehoefte), TSS (totaal aan zwevende vaste
stoffen), COD (chemische zuurstofbehoefte) en organische stikstof. De beste
niveaus van tertiaire behandeling voldoen aan de EU-richtlijnen voor badwater.
Ongeveer vijftig jaar geleden hebben Seidel en Kickuth het gebruik van riet voor
de behandeling van rioolwater ontwikkeld. Sindsdien zijn er in West-Europa meer
dan 500 rietvelden aangelegd, waarvan meer dan 100 in het Verenigd Koninkrijk.
In Europa is het gebruikelijker om aangelegde moeraslanden met horizontale en
verticale stroming te gebruiken, terwijl men in Amerika meestal natuurlijk
moerasland benut. Deze soorten biologische filters worden met name gebruikt voor
secundaire rioolwaterbehandeling en grijs-waterzuivering. Ook schadelijke
chemische stoffen en zware metalen kunnen in aangelegde moeraslanden worden
verwijderd. De bacteriën die rond de plantenwortels leven, leveren een bijdrage
aan de afbraak van chemische stoffen tot elementen die de planten als
voedingsstoffen kunnen gebruiken voor het aanmaken van nieuw plantenmateriaal.
Daarnaast vormen de wortels een substraat voor micro-organismen en een gasvormig
uitwisselingsgebied waar door de holle stengels en wortels zuurstof naar beneden
kan worden getransporteerd en stikstof, methaan en waterstofsulfide via diffusie
kunnen worden verwijderd. Vaak worden hiervoor rietplanten (Phragmites sp.)
gebruikt, maar ook een aantal andere moerasplanten kan worden toegepast.
De werking van horizontale stroombedden is gebaseerd op de volgende principes:
1. De
rizomen (wortelstelsels) van het riet groeien in verticale en horizontale
richting, zodat er binnen het bed een "hydraulisch pad" ontstaat.
2. Binnen de rizosfeer (het kleine gebied rondom de rizomen), groeien grote
populaties gewone aërobe en anaërobe bacteriën, die de organische componenten
van het grijze water biologisch afbreken.
3. Vanaf de bladeren en stelen van het riet wordt zuurstof via de holle rizomen
naar de rizosfeer gevoerd en via de wortels uitgescheiden, waardoor de aNrobe
bacteriNn van een gedeelte van de benodigde zuurstof worden voorzien.
4. In de bovengrondse laag stroafval, die bestaat uit dode bladeren en stengels,
worden zwevende vaste stoffen aëroob gecomposteerd.
5. Opname door de planten (via de rizomen) van voedingsstoffen, met name
stikstof en fosfor. De soort Phragmites australis (gewoon riet) wordt het meest
gebruikt, omdat de rizomen van deze plant zich zowel horizontaal als verticaal
goed verspreiden. Andere moerasplanten zoals Typha angustifolia (kleine
lisdodde), Carex sp. (zeggesoorten) en Juncus sp. (biezen) worden eveneens
regelmatig toegepast. Wanneer men een moeraslandsysteem aanlegt, moeten er
meerdere soorten worden aangeplant, waarbij rekening wordt gehouden met voor de
planten geschikte omstandigheden zoals diepte en lichtniveau.
Een gemengd moeraslandsysteem heeft de volgende voordelen:
1.
Verschillende soorten verwijderen verschillende stoffen uit het water
2. Er ontstaat een sterker bed, aangezien verstoringen op de ene soort meer
invloed hebben dan op de andere.
3. Een gemengd systeem is esthetisch aantrekkelijker.
4. Gedurende het hele groeiseizoen is er altijd wel enig vegetatiedek aanwezig.
5. Een dergelijk systeem kan een leefgebied voor inheemse fauna vormen.
6. Verschillende soorten hebben verschillende voorkeuren met betrekking tot
lichtniveau, grondwaterspiegel en voedingsbodem.
De ontwerpen in het Verenigd Koninkrijk zijn gebaseerd op 5 m2/be (bevolkingsequivalent), hoewel het Mannersdorf-verslag uit 1985 aangeeft dat de ervaring leert dat dit gebied in bepaalde situaties kan worden beperkt tot 3-4m2/be. Verticaal kan worden volstaan met 1m2/be. Dit houdt in dat er voor een kantoorgebouw waarin 100 mensen zijn gehuisvest bij een gebruikelijke ontwerpdichtheid van 9,3 m2 per persoon, hetgeen neerkomt op een vloeroppervlak van 930 m2, een beplanting ter grootte van 30 m2 tot 50 m2 vereist zou zijn. Normaliter wordt een diepte van ongeveer 0,6 m aangehouden, aangezien bij een grotere waarde het wortelstelsel verzwakt. In het Verenigd Koninkrijk wordt bij de aanleg van bedden meestal grind gebruikt. Ook de gebruikte grindsoort is van belang, omdat bijvoorbeeld kiezelgrind minder fosfaat verwijdert dan kalksteengrind. Aangeraden wordt een beplantingsdichtheid van 2-4 planten/m2. Als men Phragmites sp. gebruikt, verdient het planten van wortelkluiten afkomstig van al bestaande bedden de voorkeur, maar men kan ook zaaien of zaailingen uitzetten. Onkruidbestrijding is normaal gesproken alleen in het eerste groeiseizoen een probleem, maar wanneer men een grindbodem gebruikt, kan het onkruid gemakkelijk met de hand worden uitgetrokken. Andere factoren die bepalend zijn voor het succes van rietvelden zijn beluchting, stroomsnelheid, verblijftijd en het gebruik van meerdere fasen. Gebruikelijk is toepassing van drie of meer fasen waarbij horizontale en verticale bedden worden afgewisseld. Daarnaast is het gangbaar om ervoor te zorgen dat er genoeg bedden zijn voor rotatie, zodat de bedden tot rust kunnen komen en belucht kunnen worden. Hiertoe zijn twee tot vijf fases van verticale en horizontale bedden nodig, die zowel parallel als seriematig verbonden zijn. Ook zouden er bezinktanks of -vijvers moeten zijn, waarbij men erop moet toezien dat er in deze vijvers geen stagnatie optreedt. Dr. Wolverton, die voorheen als onderzoeker bij de NASA werkte, is momenteel betrokken bij de toepassing van vegetatie voor het herverwerken van dierlijke mest. Hierbij worden plantaardige stoffen verkregen via een keten van enzymreacties. Een voorbeeld hiervan is kippenmest, dat in verdunde vorm kan worden gebruikt om eendekroos (Lemna sp.) te bemesten. Dit wordt op zijn beurt geoogst en kan dan als kippenvoer worden gebruikt. Tijdens een congres georganiseerd door de binnenbeplantingsbranche, waar Dr. Wolverton de belangrijkste sprekers was, had de auteur de gelegenheid om met hem over zijn werk te spreken, met name over één van zijn projecten in Duitsland. Hier werd in een schoolgebouw grijs water voor toiletspoelbakken gebruikt. Volgens Dr. Wolverton ligt de toekomst van de integratie van gebouwenfaciliteiten en vegetatie in het Verenigd Koninkrijk in binnenbeplanting. De auteur deelt dit standpunt.
Luchtzuivering
Vegetatie is in staat chemische stoffen uit lucht en water te verwijderen.
Chemische zuivering en stoffiltering zijn twee onderwerpen waarop in latere
studies nader zal worden ingegaan en waarover door anderen verrichte onderzoeken
zullen worden samengebracht. Het meeste onderzoek is tot nu toe gedaan door de
NASA en dr. Bill Wolverton uit de Verenigde Staten, die het vermogen van planten
hebben geanalyseerd om lucht chemisch te reinigen. De beschikbare informatie zal
in een richtlijn bijeen worden gebracht en zo faciliteiteningenieurs bij het
bouwen van autonome gebouwen behulpzaam kunnen zijn. Er bestaat een symbiose
tussen de planten en micro-organismen (zoals bacteriën, algen en andere
micro-organismen) uit het sediment. Het is afhankelijk van de plantensoort welke
chemische stoffen er verwijderd worden en in welke mate dat gebeurt. Projecten
zijn opgezet waarin planten die in geactiveerde koolstof staan, worden gebruikt
voor luchtzuivering. De koolstof verwijdert de toxinen uit de lucht en de plant
verwijdert ze op zijn beurt weer uit de geactiveerde koolstof. De plant
absorbeert de toxinen en zet ze via chemische processen om in plantaardig
materiaal. Op het gebied van luchtzuivering en filtratie zijn veel minder
onderzoeksgegevens bekend dan omtrent waterzuivering.
Moleculaire luchtfiltering
In een verslag van A. Muldoon wordt een relatie gelegd tussen de onderzoeken die
Dr. Wolverton bij de NASA heeft gedaan en het zogenaamde 'sick building
syndrome'. Hierin wordt getracht aan te tonen dat planten ten minste een
schijnbare, zo niet een feitelijke bijdrage leveren aan het verminderen van de
effecten van dit syndroom. Er wordt melding gemaakt van het mogelijk verkoelende
effect van planten, in samenhang met andere aspecten zoals filtering op
moleculair niveau en akoestische eigenschappen. Dit artikel is uitermate
interessant, omdat het de tuinbouwkundige bedrijfstak en de deskundigen op het
gebied van gebouwenfaciliteiten bij elkaar brengt. Het onderzoek van Wilson &
Hedge is daarentegen weer vaag over de symptomen van het sick building syndrome.
Zij menen dat deze aan vermoeidheid toe te schrijven zijn. Na bijna twintig jaar
proeven te hebben gedaan, heeft de NASA onthuld dat kamerplanten luchtvervuiling
binnenshuis kunnen bestrijden. De NASA is geïnteresseerd in dit onderwerp omdat
men daar op zoek is naar manieren om binnenluchtvervuiling in afgesloten
omgevingen zoals ruimtecapsules te lijf te gaan. Volgens Wolverton nemen planten
de chemische stoffen op via de poriën aan de onderkant van hun bladeren.
Bacteriën die zich rond de wortels bevinden, werken vervolgens mee aan het
afbreken van de verontreinigende stoffen, die daarna weer als voedingsstoffen
door de wortels worden opgenomen. Aangezien geen enkele plant alle
verontreinigende stoffen kan verwijderen, adviseert hij gemengde beplanting te
gebruiken om verschillende chemische stoffen uit de lucht te halen. Aanbevolen
wordt een hoeveelheid van één à twee planten per 9,3 m2. Daarnaast ziet men in
dat het nodig is gebieden met ernstige problemen te ventileren. Er wordt melding
gemaakt van het gebruik van plantenbakken met een koolstofbed waar lucht
doorheen gevoerd wordt teneinde de filtering te bevorderen. Het zou zelfs
mogelijk zijn om op deze manier radioactiviteit uit radongas in de
plantenwortels af te vangen, zodat dit niet in de longen van mensen terechtkomt.
Hierbij wordt 50 cfm door het filtermedium gevoerd. Hij merkt op dat "als de
mens naar gesloten omgevingen moet verhuizen .. of naar de ruimte, hij
overlevingssystemen uit de natuur mee moet nemen." Door tussenkomst van Muldoon
is er contact gelegd met Rentokil, een bedrijf dat in samenwerking met het
Bureau of Research and Engineering onderzoek heeft verricht op basis van de
proefnemingen van Wolverton. Hoewel Michael Lothian van Rentokil vanwege
commerciële redenen niet in staat was om gedetailleerde informatie te
verstrekken, kon hij wel bevestigen dat het onderzoek dat zij hadden verricht om
de proefopstelling van Wolverton te repliceren, diens resultaten inderdaad
ondersteunde. In grootschalige proeven in kantooromgevingen bleek echter bij
controle-evaluaties dat de resultaten niet eenduidig waren. Er werd melding
gemaakt van moeilijkheden bij het controleren van de lage niveaus aan
verontreinigende stoffen die naar verluidt de luchtkwaliteit zouden aantasten.
Er was geen duidelijk verband te leggen tussen de onderzoeksresultaten en de
aanbeveling van één plant per 9,3 m2. De indruk bestond dat deze hoeveelheid in
de praktijk waarschijnlijk niet afdoende is. Onderzocht is in welke mate
azalea's, poinsettia's en dieffenbachia's gedurende perioden van 24 uur of
langer formaldehyde uit afgesloten experimentele ruimtes kunnen verwijderen.
Vergelijkingen met controleruimtes maakten duidelijk dat het formaldehydeniveau
in die periode was verminderd. Wanneer de proeven in verduisterde ruimtes werden
uitgevoerd, bleek de mate waarin formaldehyde werd verwijderd met 30% af te
nemen. Deze daling werd toegeschreven aan de afname van het fotosynthetische
proces, terwijl de zuiverende werking van de bacteriën in de plantenpot gewoon
doorging. Via een vergelijking met potten met aarde maar zonder planten kon
worden vastgesteld dat de bacteriën die bij gezonde planten aanwezig zijn,
verantwoordelijk zijn voor het verwijderen van de formaldehyde. Geconcludeerd
werd dat plantenbladeren, wortels, aarde en micro-organismen symbiotisch
samenwerken in een complex ecosysteem dat zowel in lichte, halflichte als
donkere omstandigheden in kantoorgebouwen kan functioneren. De belangrijkste
reden waarom er genoeg licht moet zijn is dat de planten hierbij gezond blijven.
Er is een vergelijking gemaakt tussen de uitademing van gassen van moderne
kantoor- en huishoudelijke materialen en het sick building syndrome. Op grond
van het door de NASA geleide onderzoek kan worden geconcludeerd dat het
ecosysteem in de potplanten in staat is rook, vluchtige organische stoffen,
pathogene micro-organismen en mogelijk radon uit de lucht in een luchtdicht
afgesloten ruimte te verwijderen. Door lucht over het beplante filterbed te
laten stromen, worden de verontreinigende stoffen afgevangen in het plantenbed.
De wortels en de daar rondom aanwezige micro-organismen vernietigen vervolgens
de pathogene virussen, bacteriën en organische chemische stoffen en zetten deze
verontreinigingen uiteindelijk om in nieuw plantenweefsel. De proeven maakten
duidelijk dat de concentratie verontreinigende stoffen na twee uur aanzienlijk
was teruggelopen en zelfs nog maar moeilijk te meten was. Wolverton voerde zijn
tests uit gedurende korte perioden van ongeveer een dag. De hierbij gebruikte
concentraties chemische stoffen waren aanzienlijk hoger dan men normaal in een
kantooromgeving zal aantreffen. Bovendien was de beplantingsdichtheid in de
proefruimtes aanzienlijk hoger dan in een normale kantooromgeving. Op foto's van
de proefopstelling is te zien dat de planten het grootste deel van de ruimte in
beslag nemen. Een dergelijke grote plantdichtheid zou in een conventioneel
kantoor niet aanvaardbaar zijn, maar dit betekent niet dat men planten niet voor
dit doel kan inzetten. Men moet hier op een onbevangen manier verder over
nadenken. In moderne gebouwen met airconditioning wordt tijdens de warmste en
koudste perioden meer lucht binnen het gebouw gecirculeerd dan dat er met buiten
wordt uitgewisseld, hetgeen wel eens een van de oorzaken van het sick building
syndrome zou kunnen zijn. Planten hebben echter nog andere functies dan het
verwijderen van chemische stoffen uit de lucht. Het water dat uit planten
verdampt doet de luchtvochtigheid toenemen, waardoor de statische elektriciteit
afneemt. Door fotosynthese vermindert de hoeveelheid kooldioxide en komt er meer
zuurstof in de lucht. Plantenschermen dempen daarnaast de geluiden in een
kantoor. Verder kan het kijken naar natuurlijke elementen in de omgeving stress
doen verminderen. Op een persconferentie in de zomer van 1995 kon Dr. Stiles van
Rentokil statistisch aantonen dat mensen psychologisch nut hebben bij
binnenbeplanting. Er is onderzoek gedaan naar azalea's, scindapsis en
dieffenbachia's. Deze planten nemen gassen op die in de kantooromgeving worden
uitgescheiden, zoals:
1.
Formaldehyde - uit isolatiemateriaal, plafondtegels, spaanplaat,
vloerbedekkingslijm, sigarettenrook.
2. Benzeen - een kankerverwekkende stof die voorkomt in schoonmaakmiddelen en
tabaksrook.
3. Trichloorethyleen - een stof die voorkomt in spuitlijm en waarvan men denkt
dat hij leverkanker veroorzaakt.
De eerdere onderzoeken van Wolverton zijn nu ook uitgebreid naar orchideeën en bromelia-achtigen. Deze planten blijken in staat de concentraties chemische stoffen in de lucht te verminderen. Hoewel de micro-organismen rond de plantenwortels via ketens van enzymreacties de belangrijkste bijdrage leveren aan het verwijderen van vluchtige organische stoffen, leveren ook bladeren een bijdrage aan dit luchtzuiveringsproces. Planten uit warme droge klimaten zoals vetplanten, en orchideeën en bromelia-achtigen, die uit warme, vochtige omstandigheden komen, gedragen zich gedurende de dag-nachtcyclus precies tegenovergesteld aan de meeste andere planten. Hierdoor zijn deze planten in staat water vast te houden terwijl ze kooldioxyde opnemen, en er wordt dan ook melding gemaakt van het feit dat zij met succes bioeffluenten uit een gesloten omgeving kunnen verwijderen. Door middel van een combinatie van deze en gewone planten kan het kooldioxyde- en zuurstofniveau in goed afgesloten gebouwen beter worden beheerst, terwijl er eveneens beter luchtverontreiniging kan worden verwijderd. Kantoren met een lage luchtvochtigheid kunnen profijt hebben van bijv. Rhapis-palmen en maranta's, die regelmatig besproeid moeten worden, of van planten met een hoge vochtigheidsgraad. Door Rentokil uitgevoerde proeven ondersteunen de conclusies uit Amerikaans onderzoek dat planten de relatieve vochtigheid in een omgeving zonder airconditioning met ongeveer 5% kunnen verhogen. De hiervoor benodigde beplantingsdichtheid was echter hoger dan men normaal in een commerciële kantooromgeving aantreft. Er zijn berichten dat een extract uit yuccaplanten in staat is de urinestank afkomstig van varkensmesterijen en legbatterijen grotendeels weg te nemen, ook al zijn deze urinesoorten zeer afwijkend van samenstelling. Yucca bindt ammoniak op zo'n manier dat de van nature vluchtige en giftige stoffen niet-vluchtig en niet-giftig worden. De planten benutten vervolgens de stikstof uit de ammoniak om eiwitten voor een snelle groei aan te maken. Hierbij wordt aangetekend dat het nog een mysterie is welke moleculen verantwoordelijk zijn voor het binden van de ammoniak. De reden voor de ammoniak-affiniteit van de yuccaplant is gelegen in het feit dat de plant in zijn natuurlijke omgeving, in de woestijnen in het zuidwesten van de V.S., vanwege het daar heersende gebrek aan stikstof en water gebruik maakt van de afvalstoffen van dieren. Denis Headon van de Nationale Universiteit van Ierland, Galway, vervolgt zijn onderzoek naar de yucca nu met een studie naar de Quillaia-plant die veel voorkomt in Chileense woestijnen. Ook deze plant bindt ammoniak. Het programma Tomorrow's World maakte in oktober 1995 melding van het feit dat de NASA een eerste serie experimenten met 'plants for people' met succes heeft afgerond. In dit eerste experiment werden in een afgesloten ruimte van 3 x 4,25 m gedurende twee weken 30.000 tarweplanten en één persoon gehuisvest. De planten produceerden zuurstof voor de astronaut, terwijl hij de planten van kooldioxide voorzag. Hij moest wel flink in beweging blijven om voldoende kooldioxyde voor de planten te produceren. In een volgend experiment zullen vier mensen gedurende 90 dagen in een afgesloten ruimte worden gehuisvest, waarbij lucht en water worden gerecycled. Het derde experiment gaat 12 maanden duren. Hierbij worden lucht, water, voedsel en afvalproducten gerecycled. De planten produceren niets waar mensen niet van houden en de mensen brengen niets voort dat onaangenaam is voor de planten. Er is gekozen voor tarwe omdat deze planten meer zuurstof voortbrengen dan andere planten. De resultaten van dit onderzoek naar regeneratieve systemen zullen worden toegepast tijdens ruimtereizen naar Mars. De astronaut gaf aan dat hij een fris gevoel ervoer wanneer hij de ruimte met planten betrad. Daarnaast werd het punt aan de orde gesteld dat de processen samenhangen met fotosynthese. Ter vergelijking vermelden wij dat er in het Biosphere-experiment 8 mensen in een 12.000 m2 grote afgesloten ruimte met airconditioning werden gehuisvest. De planten moeten met zorg worden geselecteerd omdat sommige soorten giftige stoffen uitscheiden.
Grootschalige luchtfiltering
In India is op stedelijke schaal onderzoek gedaan naar het gebruik van bomen als
middel om door de lucht verspreide industriële verontreiniging te filteren.
Geconcludeerd werd dat de vorm en het oppervlaktegebied van de bladeren van
invloed waren op de effectiviteit van de bomen. Ook werd een inschatting gemaakt
van hun overlevingskansen in een vijandige omgeving. Bomen kunnen fungeren als
korte- midden langetermijn-opslagplaatsen voor vervuilende stoffen. De bladeren
kunnen voor tijdelijke opslag zorgen, waarbij de vervuilende deeltjes op het
oppervlak van het blad blijven liggen of in het profiel van de bladeren worden
geperst. De verblijftijd van de deeltjes op het blad is afhankelijk van de
morfologie van het blad en de ter plaatse heersende meteorologische
omstandigheden. Bladeren met een harig oppervlak kunnen zware metalen uit de
atmosfeer efficiënter vasthouden. De blad- en stengeloppervlakten van bomen
kunnen fungeren als tijdelijke opslagplaatsen voor verontreinigende stoffen;
loofverliezende bomen laten bijvoorbeeld in de herfst hun bladeren vallen, zodat
de grond wordt verrijkt met verontreinigende stoffen. Het loof van een jonge
Noorse esdoorn (Acer platanoides) met een kroondoorsnede van 30 cm kan in één
seizoen 1500 mg afvangen. Dit is maar een indicatie, want de afvanging wordt in
hoge mate bepaald door de ter plaatse heersende verontreinigingsniveaus en de
morfologie van het blad. Daarnaast kunnen bomen verontreinigende stoffen ook
gedurende langere tijd opslaan. Zo kunnen zware metalen worden vastgehouden in
boomweefsel met een langere levensduur, met name in het hout en de schors. Door
het nemen van monsters van vegetatie met sporen zware metalen is gebleken dat er
een directe correlatie is tussen de ruwheid van de bast en de hoeveelheid
afgezette stoffen. De aanplant van 17.000 chloorresistente bomen en heesters
rond de chemische fabriek in Kwangchow, Zuid-China, heeft een duidelijk
aantoonbare afname van zwevend chloorstof tot gevolg gehad. Het provinciale
instituut voor botanisch onderzoek ter plaatse heeft planten onderzocht op hun
vermogen om verontreinigende stoffen te vangen en te absorberen. Gedurende een
periode van vijf maanden is onderzoek gedaan naar het vermogen van bomen om de
beweging van verontreinigende deeltjes boven land in landelijke en stedelijke
omgevingen te verminderen. De reductie van het totaal aan neervallend stof door
loofverliezende bomen bedroeg zo'n 30%, terwijl dit getal voor coniferen op
ongeveer 40% lag. Van het totaal aan zwevende deeltjes werd over het algemeen
ongeveer 12% opgevangen, zowel in landelijke als stedelijke omgevingen.
Onderzoek naar de relatie tussen bladmorfologie en stofafvanging wijst op een
correlatie tussen bladgrootte en afgevangen stof. De grootste hoeveel stof (8,81
mg/cm2) werd afgevangen door Calotropis procera met zijn bladeren van gemiddeld
70 cm2. Acacia melanoxylon daarentegen ving slechts 0,53mg/cm2. Hoeveel stof er
wordt afgevangen, is afhankelijk van een grote hoeveelheid morfologische
eigenschappen afzonderlijk of in combinatie: oriëntatie van het blad ten
opzichte van de hoofdas, grootte en vorm van het blad, aanwezigheid dan wel
afwezigheid van trichomen en epicuticulaire was. Aangetoond is dat bomen de
draagcapaciteit van lucht kunnen verminderen, zodat de deeltjes neervallen. Zo
kan in parken 85% van de deeltjes worden uitgefilterd en kunnen laanbomen,
wanneer ze optimaal zijn opgesteld, 70% van de deeltjes afvangen. Ook als ze
geen blad hebben, kunnen bomen 60% van hun efficiëntie behouden. Meidoorn heeft
door zijn ronde heesterachtige bladerdek een geringere verticale weerstand tegen
penetratie dan bomen als populieren en linden, waardoor er meer deeltjes
verticaal in het bladerdek kunnen doordringen. Naarmate het blad ouder en groter
wordt, neemt de opeenhoping van deeltjes toe, waarbij het middelste deel van een
boomtop de grootste concentraties verontreinigende stoffen voor zijn rekening
neemt. De buitenste bladeren staan bloot aan een grotere hoeveelheid deeltjes,
omdat zij als eerste de overheersende wind opvangen. Factoren zoals verstoring
door de wind beperken echter de hoeveelheid die zij kunnen vangen. Een boom
heeft een verhoogde verticale weerstand tegen binnendringing van deeltjes,
waardoor er een piek met betrekking tot deeltjesopeenhoping ontstaat. Er zijn
aanwijzingen dat er een verband bestaat tussen leeftijd en oppervlaktegebied
enerzijds en deeltjespenetratie anderzijds. De kenmerken van bladeren spelen een
belangrijke rol bij de opeenhoping van deeltjes. Ranunculus repens (boterbloem)
neemt met zijn relatief grote bladoppervlak - dat horizontaal staat en een ruwe
harige buitenkant heeft - meer deeltjes op dan Trifolium sp., die kleinere
bladeren met een gladder oppervlak hebben. Deze plantensoorten vangen echter
allebei meer deeltjes dan gras, waarvan de bladeren weliswaar een ruwe
buitenkant hebben, maar daarentegen rechtop staan. Dit wijst erop dat
kruidachtige planten een effectiever filter vormen dan gras.
Seizoensgebonden beschaduwing
en verdampingskoeling door loofverliezende vegetatie
Beschaduwing door loofverliezende bomen en planten is een voor de hand liggende
toepassing die veel meer zou moeten worden gebruikt dan momenteel gebeurt. Deze
kan worden toegepast op heldere of ondoorzichtige constructie-elementen. Wil de
vegetatie deze rol effectief kunnen vervullen, dan dient er voldoende water
aanwezig te zijn om de verdampingsuitwaseming mogelijk te maken. 's Zomers
minimaliseert vegetatie de zonnebelasting door de albedo (zonnereflectie) te
verminderen, terwijl gelijktijdig schaduw en verdampingskoeling wordt geleverd,
zodat de airconditioning minder zwaar wordt belast doordat de warmtetransmissie
het gebouw in afneemt. 's Winters wordt de nuttige zonnewarmte wel doorgelaten,
zodat er minder hoeft te worden bijverwarmd. Momenteel wordt er gewerkt aan het
ontwikkelen van een model waarin de koelvoordelen van loofverliezende vegetatie
en lang gras zoals dat in weilanden voorkomt, in termen van "sol-air" tot
uitdrukking komen. Hoewel gras geplant in 100 mm aarde een gewicht lijkt te
vormen waarmee de structurele ingenieur terdege rekening moet houden, is dit
slechts weinig zwaarder dan de betonnen platen en het grind dat vaak op platte
daken wordt toegepast. Het is ongeveer vier keer zo zwaar als dakpannen. Een
concentratie mensen en de hiermee samenhangende elementen in de omgeving
veroorzaken een warmte-eilandeffect, waardoor de temperatuur van het bebouwde
gebied stijgt. Aangetoond is dat vegetatie dit effect kan verminderen, en
derhalve goed kan worden toegepast in en rondom gebouwen. Deze reductie is toe
te schrijven aan een lagere albedo (zonnereflectie) in vergelijking met de
meeste door mensen vervaardigde oppervlakken en de verdampingskoeling als gevolg
van de uitwaseming van de planten. Deze koeling vindt plaats tijdens de
verdampingsuitwaseming, waarbij water en voedingsstoffen aan de grond worden
onttrokken om voor de groei te worden gebruikt en om de planten koel te houden
in het zonlicht. Dit proces vertoont een directe relatie met zonlicht, dat de
fotosynthese stimuleert. Een significante toename van bomen in stedelijke
gebieden kan een oase-effect veroorzaken. Zo kan een beuk met een kroon van 14 m
680 Watt aan verdampingskoeling leveren, terwijl 200 mm hoog gras de
zonnebelasting met een factor 6 kan reduceren. Om verdampingskoeling te leveren,
moeten planten wel over een gemakkelijk toegankelijke waterbron kunnen
beschikken. Als er onvoldoende water is, gaan planten als reactie minder water
uitdampen teneinde uitdroging te voorkomen. Onder deze omstandigheden leveren
zij minder koeling.
Bomen hebben op de volgende manier invloed op het energieverbruik in gebouwen:
1.
vermindering van de zonnebelasting via ramen, muren en daken, door beschaduwing;
2. vermindering van de warmtebelasting door zonnestralingswarmte afkomstig uit
de omgeving, door beschaduwing;
3. als windscherm waardoor de behoefte aan koeling c.q. verwarming, afhankelijk
van de weersomstandigheden, afneemt;
4. reductie van de infiltratiecoëfficiënt door de windsnelheden in het
microklimaat te verminderen;
5. vermindering van de geleidingswarmte doordat de omgevingstemperatuur 's
zomers in het microklimaat via verdampingsuitwaseming en beschaduwing omlaag
wordt gebracht; 6. mogelijk verhoging van de latente behoefte aan
airconditioning door via verdampingsuitwaseming vocht aan het microklimaat van
de buitenlucht toe te voegen.
Een
vrijstaande 100 jaar oude beuk Fagus sylvatica met de volgende kenmerken:
1. Hoogte 25 m
2. Kroondiameter 14 m
3. Krooninhoud 2700 m3
4. Grondoppervlak 160 m2
5. Bladoppervlak 1600 m2
verricht de volgende activiteiten:
1.
Waterverbruik 0,960 kg/uur
2. Kooldioxideverbruik 2,352 kg/uur
3. Zuurstofproduktie 1,712 kg/uur
4. Suikerproductie 1,600 kg/uur
5. Totale wateruitwaseming 10,0 m3/jaar
6. Energieverbruik 6.000.000 kCal/jaar
7. De boom produceert genoeg zuurstof voor 10 mensen per jaar.
Bomen zorgen voor een koel microklimaat onder hun bladerdek, dat op een zonnige dag subjectief kan worden aangevoeld als een lagere luchttemperatuur. De temperatuur onder een vrijstaande boom is nagenoeg gelijk aan die in de open lucht. Hoewel het bladerdek ook in alleenstaande of sterk verspreide bomen een aanzienlijk koelend vermogen door verdampingsuitwaseming heeft, wordt dit effect grotendeels tenietgedaan door de beweging en menging van de lucht. De ervaren temperatuurdaling is in zo'n geval hoofdzakelijk toe te schrijven aan een vermindering van de opgevangen straling. Hoeveel straling een boom tegenhoudt, is afhankelijk van de soort en het ras. In een bos is het koelende effect gemakkelijk waar te nemen. Daarnaast onttrekken bomen water aan de grond op plaatsen waar het vanwege de diepte waarschijnlijk koeler is dan in de lucht (meestal ongeveer 10EC). Daardoor kan de temperatuur in de lagere delen van het bladerdek dalen in de richting van die van het grondwater. Aan de bovenkant van het bladerdek kan de temperatuur hoger liggen dan in de omgeving, aangezien de boom zonne-energie opslaat door de temperatuur van de vegetatie en het te verdampen water te verhogen. Over de verdampingscoëfficiënt van vegetatie is een aanzienlijke hoeveelheid gegevens beschikbaar, met name over landbouwgewassen. Planten verplaatsen water uit de grond naar de lucht. Een klein deel van het water wordt chemisch omgezet, maar het grootste deel wordt uitgewasemd. Planten gebruiken verdampingsuitwaseming over het algemeen om voedingsstoffen uit de bodem te vervoeren en oververhitting te verminderen. Met name loofverliezende bomen en grassen lijken in dit opzicht zodanig te werken dat dit van belang kan zijn voor het minimaliseren van de zonnebelasting. Bij een verdampingssnelheid van 1 mm per uur per m2 (één liter per uur) treedt 680 W/m2 koeling op. De waterafgifte aan de lucht put de energievoorraad van de bodem en de lucht uit, als gevolg van het opnemen van latente warmte. Dit uit zich in een temperatuursverlaging in de bodem en de lucht. Verdamping is afhankelijk van water, de energie benodigd om deze wisseling van toestand mogelijk te maken, een stijging of daling van de dampdruk en de luchtbeweging binnen het microklimaat. Bij verdampingsuitwaseming wordt zonnestraling als energiebron gebruikt, zodat het proces een directe relatie met de zonnebelasting vertoont. Het resultaat hiervan is een zelfregulerend koelsysteem dat gebruik maakt van de natteboltemperatuurdaling die het gevolg is van de verdamping. Waterafgifte door uitwaseming is een manier om voedingsstoffen te transporteren en de opname van latente warmte is een belangrijk middel om de energiebelasting voor bladeren en wortels terug te brengen. De uitwaseming wordt geregeld door de huidmondjes (biologische klepjes in de bladeren), die zich kunnen openen afhankelijk van factoren als lichtintensiteit, omgevingstemperatuur, vochtigheid en concentratie kooldioxide. De huidmondjes sluiten zich wanneer er onvoldoende licht is en/of de sluitcellen waterinhoud verliezen. Op het ogenblik wordt de bijdrage die planten rondom of op gebouwen leveren gezien in termen van beschaduwing en directe zonnebelasting, waardoor de albedo van het microklimaat verandert. Met de zeer superieure albedo die planten te bieden hebben, wordt in het algemeen geen rekening gehouden. Ook het vermogen tot verdampingskoeling wordt buiten beschouwing gelaten. Als de temperatuur van water dat door een plantenbed stroomt, door de aldaar aanwezige planten een paar graden omlaag wordt gebracht, dan is het mogelijk dit proces voor koelingsdoeleinden te gebruiken. Zo moet het mogelijk zijn om de comfortomstandigheden te reguleren door technische oplossingen waarbij een relatieve hoge waterstroomtemperatuur (secundair gekoeld water) en een klein temperatuurverschil worden toegepast. Dit soort oplossing zou mooi passen in de huidige trend om gekoelde plafonds en verwarmingspanelen te gebruiken. Ventilatie speelt in dit soort oplossing een belangrijke rol, omdat deze de belangrijkste methode voor warmteverspreiding blijft. Loofverliezende klimplanten verschaffen schaduw en verdampingskoeling in de zomer, wanneer het weren van zonnestraling het belangrijkst is. In het voorjaar en de herfst, wanneer zonnebelasting minder problemen oplevert, hebben deze klimplanten minder loof, zodat ze minder schaduw en koeling leveren. In de winter, wanneer de warmtebelasting door de zon juist een voordeel is, verkeren de klimplanten in een ruststadium en hebben zo weinig invloed. De albedo is eveneens afhankelijk van de bladerdichtheid. De bereikte koeling is zo gedurende het hele jaar ongeveer gelijk aan of groter dan de zonnebelasting, als er ten minste voldoende water beschikbaar is voor de verdamping. Airconditioning met behulp van vegetatie zal daarom in alle warme klimaten effectief zijn, behalve in vochtige tropische klimaten zoals bijvoorbeeld in Singapore of Hong-Kong.
Om de discussie op gang te brengen, wordt er een scenario voorgesteld waarin een modern, met metaal bekleed, redelijk goed geïsoleerd, industrieel gebouw als verkoopruimte wordt gebruikt, en waarin de temperatuur 's zomers niet hoger mag oplopen dan bijv. 24EC. Dit gebouw zou bijvoorbeeld als hypermarkt kunnen worden gebruikt. Aangezien de temperatuur door natuurlijke ventilatie tot twee à drie graden boven de omgevingstemperatuur kan worden teruggebracht, is er onder normale omstandigheden een aanzienlijke mechanische airconditioning nodig om de gewenste temperatuur te handhaven. Een hypermarkt produceert echter aanzienlijke hoeveelheden afvalwater. Dit zou men kunnen zuiveren en vervolgens gebruiken om klimplanten te irrigeren die over lattenframes op het gebouw worden geleid, zodat de koeling niet meer wordt belast door de zonnebelasting. Daarnaast zou de indirecte verdampingskoeling kunnen worden gebruikt als compensatie voor de belasting door de gebruikers en de ventilatie.
Voorgestelde
sol-airtemperatuur van begroeide oppervlakten
Sol-airtemperatuur is een technische term voor de theoretische temperatuur die
gebruikt kan worden bij berekeningen voor verwarming en koeling en die de
zonnebelasting weergeeft, meestal via een ondoorschijnend materiaal. Er bestaan
drie verschillen tussen de vergelijkingen voor de sol-airtemperatuur van een
door mensen vervaardigd oppervlak en een begroeid oppervlak. De albedo
(zonnereflectie) is verschillend en wisselend, de totale zonnestraling ligt op
14% voor weilanden en op 20% voor loofverliezende vegetatie, en daarnaast is de
oppervlakteweerstand lager vanwege de dynamische omstandigheden die door de
vegetatie worden gecreëerd. Het is van belang dat er voldoende water beschikbaar
is voor de vegetatie, zodat de waterhuishouding van de plant tijdens de
verdampingsuitwaseming in balans blijft. Deze informatie is afkomstig uit
meteorologische teksten en dient nog door middel van veldtests te worden
getoetst.
Uit tabellen wordt duidelijk dat de overdracht door het materiaal niet langer zou bijdragen aan overmatige verhitting in de zomertijd op begroeide oppervlakken. Dit zou een bijdrage kunnen leveren aan natuurlijk geventileerde gebouwen doordat de passieve ventilatie- kanalen dan kleiner kunnen zijn. In het geval van gebouwen met airconditioning zou de materiaalopname op de bovenste verdieping van het gebouw kunnen worden genegeerd. De vegetatie moet over voldoende water kunnen beschikken om te voorkomen dat de waterhuishouding van de planten tijdens de verdampingsuitwaseming uit balans raakt. Bij gebrek aan water vindt er geen verdampingskoeling plaats, de vegetatie kan een tekort aan water krijgen, in het zonlicht oververhit raken en doodgaan. Bevochtiging Luchtbevochtiging door uitwaseming van planten levert binnenshuis de grootste voordelen op in de winter, omdat de relatieve vochtigheid dan af en toe onder de normaal als comfortabel in een kantooromgeving aanvaarde waarde daalt. Er moet dan via de airconditioning vocht in de lucht worden gebracht om de opbouw van statische elektriciteit te voorkomen. Dit gebeurt doorgaans via stoombevochtiging, een duur en energieverslindend proces. Planten zouden de vochtigheid kunnen verhogen zonder dat dit veel energie hoeft te kosten, met dien verstande dat er wel daglicht of kunstlicht nodig is om de fotosynthese op gang te houden. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat zelfs helder glas de lichtdoorlating vermindert. Bij het bepalen van het bevochtigend vermogen van vegetatie moet deze factor ingecalculeerd worden. Voor bevochtiging in de winter moeten uiteraard groenblijvende planten worden gebruikt.
Voorstel tot een model van het
bevochtigend vermogen van vegetatie
Het is de bedoeling een wiskundig model te ontwikkelen waarin de uitwaseming van
vegetatie in verband wordt gebracht met bevochtigingsniveaus. In eerste
instantie worden onderstaande vergelijkingen aangeboden voor een horizontaal
oppervlak. Dit model moet nog experimenteel worden gevalideerd.
Bevochtigend vermogen van vegetatie Vocht door vegetatie aan de lucht toegevoegd Ql = (ITHd - 16) x 0,49 x S )g = Ql /hfg) x 3600 waarbij: Ql = Latente warmte, W/m2 ITHd = Totaal horizontaal. Ontwerpzonnestraling, W/m2 hfg = Latente warmte van vaporisatie - 2,45 MJ/kg )g = Uitgewasemd vocht in de lucht per uur, kg/m2 S = Doorlatingsverliesfactor voor glas De waarde van 16 W/m2 die van ITHd wordt afgetrokken, staat voor de hoeveelheid energie die bij de fotosynthese door de vegetatie wordt gebruikt. De factor 0,49 wordt door T.R. Oke opgegeven als het deel van de zonnestraling dat door de vegetatie wordt geabsorbeerd. Planten en akoestiek van ruimten Vegetatie biedt in de ware zin des woords een groene oplossing voor technische problemen, omdat zo de minste energie wordt verbruikt, en de exploitatie- en onderhoudskosten het laagst zijn. Bovendien zien ze er aantrekkelijk uit en kunnen ze worden uitgestald op plaatsen waar ze nog eens extra voordelen opleveren, zoals akoestische demping. Sabine kwam in 1906 uit op 0,11 m per m3 absorptie door kamerplanten Er is heel wat onderzoek gedaan naar het verband tussen planten en verkeerslawaai, maar zeer weinig naar ruimteakoestiek. In 1906 ontdekte Sabine, één van de grondleggers van de moderne akoestische theorie, dat het zeer moeilijk was om de absorptie door kamerplanten vast te stellen, maar niettemin kwam hij uit op een waarde van 0,11 m per m3. Hij had het idee dat het van grote waarde zou zijn om het absorberend vermogen van planten vast te stellen, omdat ze vaak worden gebruikt ter opluistering van feestelijke gebeurtenissen. Tot nu toe is er echter geen onderzoek meer gedaan naar planten en ruimteakoestiek. Teneinde de bijdrage die planten aan ruimteakoestiek kunnen leveren naar waarde te schatten, is het nodig een aantal mechanismen die samenhangen met geluid nader toe te lichten. Een bakstenen muur met een gewicht van 450 kg/m2 levert gemiddeld een geluidsisolatie van 48 dB. Een gipsplaten tussenwand met een gewicht van 7,5 kg/m2 is goed voor 22 dB aan isolatie. De verhouding is als volgt: RAV = 10 + 14,5 log10 m, waarbij m = massa/oppervlak in kg/m2 Het zal duidelijk zijn dat het gewicht per vierkante meter van planten in vergelijking met deze materialen zeer onbeduidend is en derhalve niet veel geluidsisolatie kan bieden. Planten bieden eerder een akoestische demping doordat ze veerkrachtige oppervlakken hebben en derhalve de nagalmtijd wijzigen.
Absorptiebepaling op grond van
nagalmtijd
Absorberende materialen leveren een schijnbare isolatie doordat ze het
geluidsniveau in een ruimte verminderen door reductie van de terugkaatsing van
de door die ruimte heen weerkaatsende geluidsgolven. De nagalmtijd is een
indicatie voor de akoestische eigenschappen van een ruimte. Een harde ruimte
wordt gekenmerkt door harde oppervlakken, blikkerige geluiden, echo's en een
lange nagalmtijd. Hoe langer de echo duurt, hoe langer de nagalmtijd. Een
akoestisch dode of stille ruimte kenmerkt zich door zachte oppervlakken, een
laag geluid, geen echo's en een korte nagalmtijd. Hoeveel geluid er door een
element wordt opgenomen, is vast te stellen door de verkorting van de nagalmtijd
die het element veroorzaakt, te meten. Waarden die in een nagalmtestkamer zijn
vastgesteld kunnen bij het vaststellen van de ruimteakoestiek voor praktische
toepassingen in gebouwen als uitgangspunt worden gebruikt. Er zijn vier
validatieproeven gedaan om de invloed van planten op ruimteakoestiek te
onderzoeken. Hieruit blijkt dat planten de nagalmtijd, met name van hogere
frequenties, bekorten en derhalve de ruimte rustiger maken. Voor een nuttig
verschil in lagere frequenties is een veel hogere beplantingsdichtheid nodig.
Deze proeven hebben eveneens bevestigd dat er in harde ruimtes betere resultaten
worden bereikt dan in rustige ruimtes. Welke akoestische invloed hebben planten?
Planten zorgen voor absorptie, buiging en weerkaatsing van geluid. Het evenwicht
tussen deze mechanismen kan variëren met de frequentie waarmee het geluid wordt
voortgebracht en de aard van de ruimte zelf. Het absorberend effect van een
plant wordt beïnvloed door de soort, de afmeting, de grootte van de pot, de
vochtigheidsgraad van de aarde en het gebruikte type mulch. Bij het bepalen van
de bijdrage die planten kunnen leveren in onderzoeken naar ruimteakoestiek moet
de nodige voorzichtigheid in acht worden genomen. Een belangrijk punt in dit
opzicht is dat de planten groot, gezond en goed ontwikkeld moeten zijn. De beste
resultaten worden bereikt met planten die zich lekker voelen en er goed uitzien.
Absorptie Planten veranderen de akoestiek van een ruimte doordat ze de
nagalmtijd bekorten, hetgeen meestal als een voordeel wordt beschouwd. Planten
leveren de beste akoestische prestaties in akoestisch harde ruimtes, met harde
oppervlakken zoals marmeren muren, betonnen en stenen dekvloeren. Waarschijnlijk
wordt de invloed van planten amper opgemerkt in een akoestisch stille ruimte,
die zich kenmerkt door zachte bekleding zoals vloerkleden, minerale-vezeltegels
en zware, geplooide gordijnen. Dit komt doordat de absorptie van de zachte
bekleding groter is en daardoor de absorptie door de planten maskeert. Toenemend
milieubewustzijn bij toonaangevende ontwerpers heeft ertoe geleid dat er meer en
meer gebruik wordt gemaakt van duurzame, harde afwerkingen waarvoor minder
energie is gebruikt. Daardoor worden ruimtes akoestisch harder en kunnen planten
dus een belangrijker rol spelen. Over het algemeen is voor een werkelijk
merkbaar verschil een hogere dichtheid aan kamerplanten nodig dan momenteel
wordt gebruikt. Planten zouden kunnen worden ingezet voor het elimineren van
meervoudige echo's, die vooral in kleine ruimtes met parallelle muren, plafonds
en vloeren zeer goed waarneembaar zijn. Meervoudige echo's kunnen ook worden
voorkomen door muren en plafonds niet helemaal parallel te bouwen, d.w.z. met
een afwijking van een paar millimeter. Planten functioneren constanter bij
hogere frequenties met veel storender hoogklinkende geluiden. Men heeft ontdekt
dat de invloed van planten op de lagere frequenties sterk wisselend is. Er
bestaan andere materialen die in dit opzicht beter werken dan planten. Buiging
en weerkaatsing Op de lagere frequenties, met golflengtes van ongeveer één meter
of langer, kunnen planten geluidsgolven buigen, doordat de bladeren in
verhouding tot de golflengte relatief klein zijn. Voor de hogere frequenties kan
de bladafmeting het geluid naar andere oppervlakken weerkaatsen, die dan op hun
beurt het geluid kunnen absorberen. Grotere bladeren zouden voor een hogere mate
van weerkaatsing van de lagere frequenties kunnen zorgen. Omgevingen waarin
planten de beste akoestische resultaten geven Aan de hand van principes die op
veel akoestische absorbenten van toepassing zijn, kan men vaststellen waar de
planten het best kunnen staan om een zo groot mogelijke bijdrage te leveren.
Betere resultaten bij hogere frequenties Planten kunnen met goed resultaat
worden ingezet om de eigenschappen van de ruimte "fijn af te stemmen" voor de
hogere frequenties. Voor de lagere frequenties kunnen beter andere materialen
worden ingezet, die hiervoor effectiever zijn. Grote plantenbakken hebben meer
invloed dan kleine Grote plantenbakken bevatten meer mulch en kunnen grotere
planten huisvesten. Hieruit valt al af te leiden dat ze een grotere invloed op
de akoestiek van de ruimte zullen hebben. Opstellingen met groepen van drie tot
vijf verschillende planten lijken beter te werken dan afzonderlijke planten.
Bovendien kunnen de plantenbakken worden gebruikt om Helmholtz-resonatoren
(resonantieholtes bedoeld voor geluid op specifieke frequenties) onopvallend in
de ruimte te installeren. Naar deze mogelijkheid wordt onderzoek gedaan bij de
Akoestische Afdeling van de School of Engineering Systems and Design van de
South Bank University. Verschillende opstellingen werken beter dan een
arrangement op één plaats Het plaatsen van verschillende plantenopstellingen in
een ruimte zou meer effect hebben dan een geconcentreerde opstelling op één
plaats. De reden hiervoor is dat het oppervlak van de planten dat aan geluid
wordt blootgesteld groter wordt, zodat de mogelijkheid tot weerkaatsing op
andere oppervlakken toeneemt. Plaatsing naast wanden en in hoeken is beter dan
op een centrale plek Het is effectiever om planten naast wandoppervlakken en in
hoeken te zetten dan in het midden van de ruimte. Hier kan het van de wanden
terugkaatsende geluid namelijk effectiever door de planten worden opgevangen.
Verder akoestisch onderzoek
Aanzien men bij het toepassen van planten voor akoestische doeleinden zorgvuldig
te werk moet gaan, dient er eerst een grotere variëteit aan planten en
plantenconfiguraties te worden getest. De vochtigheidsgraad van de aarde
verandert de absorptie. Ook het type bedekking van de gebruikte aarde is van
belang. In de vrije natuur zijn er zelfs verschillen tussen planten van dezelfde
soort, hetgeen zich met name duidelijk uit in de akoestische invloed. Om met een
hoge mate van betrouwbaarheid te voorspellen welke bijdrage planten kunnen
leveren, dient er een breder onderzoek plaats te vinden waarbij gekeken wordt
naar meer plantensoorten die door de kamerplantenindustrie worden gebruikt. Het
absorptievermogen zou bij meer soorten en afmetingen planten moeten worden
vastgesteld. De bijdrage van de plantenbak (d.w.z. de bak zelf en de aarde) aan
de absorptie is voldoende om een gedetailleerd onderzoek te rechtvaardigen naar
de invloed van verschillende maten en vormen potten zoals die in de praktijk
worden gebruikt. Ook de bijdrage die schors-mulch aan de absorptie levert is van
die orde dat het wenselijk is om nader te onderzoeken welke invloed
verschillende gebruikelijke soorten mulch, zoals mos en grind, op de absorptie
hebben.
Tot slot
Het algemene welzijn van de plant is van essentieel belang voor rationale
akoestische resultaten. Op grond van experimenten vastgestelde absorptiewaarden
In onderstaande tabel 7.5 staan de absorptiewaarden voor de plantencombinaties
die bij de test betrokken waren. In de nagalmkamer van de South Bank University
zijn drie verschillende tests uitgevoerd. Daarna werden vier validatietests
uitgevoerd op het hoofdkwartier van Rentokil voor Tropische Planten in East
Grinstead. Hieruit bleek dat de nagalmtijd van kamers met harde oppervlakken
door vegetatie inderdaad afnam.
Over de auteur
Peter Costa studeerde in 1991 cum laude af in milieutechniek, na een parttime
studie aan de South Bank University. In 1992 besloot hij part-time postdoctoraal
onderzoek te gaan doen aan dezelfde universiteit, in de door hem gekozen
specialisatie "Airconditioning en geluidsbeheersing met behulp van vegetatie".
In 1993 was hij medeoprichter van adviesbureau "Brotchie, Costa and Grand Ltd,
Ecologists and Engineers", een bureau dat adviezen omtrent milieuproblemen
uitbrengt aan klanten die het milieu werkelijk willen respecteren. In 1994 werd
hij door H & V News Building Services uitgeroepen tot Ingenieur van het Jaar,
vanwege zijn "uiterst originele en voor het milieu belangwekkende werk". In 1995
kreeg hij de tweede plaats voor deze onderscheiding. De jury was toen wederom
zeer positief over de "significante bijdrage aan de ontwikkeling en toepassing
van milieuvriendelijke HVAC-technologie en -ontwerpen" van zijn bedrijf. In 1995
werd hij benoemd tot "Corporate member" van het Institute of Energy en tot
"Graduate member" van de CIBSE. Hij werkt al vijftien jaar op het gebied van
facility management in aanneming en ontwerp, waarbij hij op kantoor en ter
plaatse werkt. In het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten heeft hij aan kleine
projecten gewerkt waarmee bedragen van enige duizenden ponden gemoeid waren,
maar ook aan projecten van vele miljoenen ponden.
*
Peter Costa verhuisde eind 1996 naar Australië en is thans firmant in : CCD
Australia Consulting Engineers 41 Ord Street, West Perth 6005, P.O Box 124, West
Perth 6872 AUSTRALIA